Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

Pause. 4 Rucktm' uytten hoop, wiens monden leugen spreken, Wiens rechter-hand vol valschheyd is gebleken. Soo sal u, Heer, wanneer ick tot u juygh', Een nieuw lied op 't tien-snarigh speel-getuygh, V, met de luyt, een psalm zijn op-geheven, Die Koningen kunt d'over-winningh geven; Die uwen knecht, die David hebt ontset, Van 't boose swaerd, dat op hem stont gewet.

5 Ontset en red my uyt der Vreemden handen, Dat sy my niet en sluyten in haer banden; Van 't Volck, dat lieght; dat valsch van rechter-hand,

Dat ontrouw is, en schelms aen allen kant. Op dat gestaegh ons Zoonen mogen wesen, Als planten zijn, hoogh in haer jeughd geresen. Ons Dochters, schoon gekeurt aen lijf en le'en; Als een Palleys van uyt-gehouwen steen.

6 Ons winck'len, vol van noodruft om te leven, Den eenen na den and'ren voor-raed geven; Ons Schapen oock, vermeerd'ren op ons stal, Tot duysend, ja, tien-duysend in getal; Ons Ossen, wel-geladen zijn en blijven; Geen in-breuck ons, geen uyt-val magh verdrijven; Geen Krijghs gekrijt op onse straten zy; En wy van twist en allen oorlogh vry.

7 't Volck, dien 't soo gaet, heeft wat het oyt kan wenschen; Geluckigh ist, in 't midden aller menschen. Geluckigh ist, dien 't soo voorspoedigh gaet; Wiens God is Heer, daer op het sich verlaet.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.