Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

Pause. 5 Laet doch de boosheyd der Onvroomen, Eers' ons vernielt, ten eynde komen. Stelt ghy de Recht-gesinden vast, Die al ons herten onder-tast, Ons nieren proeft, die ons gedachten, Ons willen weet en ons betrachten; Rechtvaerdigh God, ghy seit mijn schild, Die den Oprechten helpen wilt.

6 God is een gansch rechtvaerdigh Richter, Een ongelijcks getrouw Beslichter. Die daeg'licks toornt; hy wet sijn swaerd, Indien de Booswicht niet bedaert, Soo geld het hem; hy spant sijn bogen, Sijn wapens heeft hy aen-getogen, En staet gereed, om dood te slaen, Soo hy sich niet bekeert voortaen.

7 Sijn pijl sal hy te wercke stellen, De hittige Vervolgers vellen; Sijn schichten op haer los doen gaen, Die hem moedwilligh weder-staen. Siet, hoe dat hy van moeite swanger, Van onrecht banger werd en banger; De Booswicht is in arbeyds pijn, Maer, dat hy baert, sal leugen zijn.

8 De kuyl, by hem voor my gegraven, Daer is hy selfs, met hevig draven, Doe hy my volghd' en quam te kort, Gevallen in, en ne'er-gestort. De moeite, by hem op-genomen, Sal op hem selfs te rugge komen; Al sijn geweld en tegen-weer, Hem dalen op sijn schedel neer.

9 Ick sal den Heer, mijn God daer boven, Na sijn gerechtigheden loven; Des Alderhooghsten lof en eer' Sal ick Psalm-singen meer en meer.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.