Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

III. Pause. 13 Ick sal sijn zaed na hem doen eeuwighlick bestaen; 't Sal met sijn throon, als met des Hemels dagen gaen. Indien sijn Kind'ren oyt verlaten mijne wetten, Niet wand'len in mijn recht, dat ick haer voor doe setten. Ontheyl'gens' immermeer mijns monds getuygenissen, Die ick heb in-gestelt, om haer niet te vergissen.

14 Soo sal ick 't over-tre'en besoecken met de roe, En toonen, dat ick recht op al haer onrecht doe. Maer mijn genaed' en sal haer nimmer zijn benomen, Mijn trouw en heeft geen feyl, 'k sal haer te hulpe komen.

Noyt sal ick mijn verbond ontheyligen, noch rippen Van te verand'ren 't geen my oyt gingh uyt de lippen.

15 'k Heb by mijn Heyligheyd een hoogen eed' gedaen, Soo ick aen David liegh! Sijn zaed sal vast bestaen; 't Sal zijn in eeuwigheyd. Sijn throon sal voor my wesen, Gelijck de Son en Maen, in hooghten op-geresen; In eeuwigheyd gevest. Hier van sal ick getuygen, Die in den Hemel ben, dien aller knyën buygen.

16 Maer ghy hebt hem, mijn God, verworpen en verjaeght, En uw Gesalfd' is door uw grimmigheyd geplaeght. Ghy hebt uw Knechts verbond, dat ghy soo vast verklaerde, Te niet gedaen, sijn kroon ontheyligt tegen d' Aerde; Sijn muyren door-geboort, sijn hoogh-verheve wallen, Sijn vestingh ne'er-gestort, en over-hoop doen vallen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.