Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

I. Pause. 6 'k Ben gekromt en ne'er-gebogen, En bewogen Gansch den dagh te gaen in 't swart. Vyter-maten-seer gedoken, En gebroken; Dat my lastigh valt en hard.

7 Want mijn dermen, vol van plagen, Staen en jagen, Na uw bystand, reys op reys. 't Zijn verachtelicke sweeren, Die my deeren. Niet geheels is in mijn vleys.

8 Al mijn kracht heeft my verlaten; Vyter-maten, Seer gebrijselt ben ick, Heer. 'k Brulle van 't geruysch mijns herten, Daer mijn smerten My verswacken meer en meer.

9 Al mijns ziels begeert' is voor u; Ick en smoor' u, 'k En versteeck' u daer van niet. 'k Houw mijn suchten en mijn sorgen Niet verborgen; Ghy zijt die het hoort en siet.

10 't Hert keert om, mijn kracht verlaet my, 't Licht vergaet my; By my zijn mijn oogen niet. Mijn gesicht, wel-eer vol luyster, Is al duyster; 'k Werde blind in mijn verdriet.

11 Mijn Beminners en mijn Vrienden,

Die my dienden, En my plegen by te staen, Die ontwijcken mijne plagen; Al mijn Magen Sien van verre my maer aen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.