Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

Pause. 4 Mijn om-geswerf hebt ghy my na-getelt. Leght in uw vlesch mijn tranen, die ick smelt. En zijns' in uw register niet gestelt? Dan sullen mijn Vyanden Te rugge gaen, en aerselen met schanden,

Als ick tot God op-steken sal mijn handen, En roepen sal. 'k Weet, dat hy breeckt mijn banden; 'k Weet, dat God is met my.

5 'k Sal prijsen 't woord, in God; het woord, dat hy Gesproken heeft; daer hy gedanckt om zy; Ick prijs 't in hem, die my sal stellen vry; Op God staet mijn vertrouwen; Op God alleen sal ick standvastigh bouwen; Niet vreesen meer; en 't sal my niet berouwen. Wat souw my doch een nietigh mensch doen grouwen, Die maer is stof en aerd?

6 Op my, O God, dien ghy soo trouw bewaert, Is uw geloft', en ick sals', onbeswaert, Met danck, voldoen; die hebt mijn ziel gespaert, En van den dood behouden. Mijn voeten, die wel-eer voor aen-stoot grouden, Hebt ghy gered, op dat sy wand'len souden, Voor d' oogen Gods, die vriend'lick my aenschouwden, Daer 't levens licht op-klaert.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David · Cornelis Boey · Poetry Cove