Pause.
8 Heer, ghy wert by ons gedacht.
't Goed aen ons, uw Volck, gedaen,
Siet ghy voor uw' oogen gaen,
Van geslachte tot geslacht'.
God, die sal ons Richter zijn,
Hy sal ons ontslaen van pijn.
9 All' Af-goden, die men siet,
By de Heyd'nen; zijn van goud,
En van silver op-gebouwt;
Menschen-werck, en anders niet.
Monden hebbens', en geen tael;
Oogen, maer blind' al-te-mael.
10 Geenen adem heeft haer mond;
Ooren hebbende, zijn doof,
Maeckt, Heer, in wien ick geloof,
Tot een loon van sijne vond,
Beelts-gelijck, die beelden bouwt,
Met al wie op haer vertrouwt.
11 Ghy, die 's Heeren knechten zijt,
Israëls Huys, looft den Heer.
Ghy Huys Arons, geeft hem eer'.
Ghy Huys Levi, roept en krijt,
t'Sijner eer, met luyder stem;
Psalm-singht en verheerlickt hem.
12 Ghy, die God den Heer ontsiet,
Looft hem al-te-mael gelijck,
Die ons gaf dit Heydens-Rijck.
Looft, uyt Zions gansch gebied,
Looft den Heer, verkondight hem,
Die woont in Ierusalem.