Pause. 5 Ick boodschapp' in uw's Volcks vergaderingh, Die groot is, de gerechtigheyd; Ghy weet wat by my wert geseyt; Ghy hoort dat ick mijn lippen niet bedwingh; 'k En houde niet verborgen, Vw waerheyd, heyl noch sorgen, Noch uw mildadigheyd, Gelijck ghy weet en siet, En laet ick immers niet Vw Menight' ongeseyt.
6 Onthoud my niet uw ontfermhertigheyd, Laet uw genaed' en trouwe my Behoeden staegh, en blijven by, Want quaden zijn my veel rond-om geleyt, Mijn ongerechtigheden Bevangen al mijn leden, Mijn hert' is af-geslooft, Ick misse mijn gesicht, Sy staen my alsoo dicht, Als hayren op mijn hooft.
7 't Behaegh' u, Heer, dat ick eens los magh gaen, Haest u en helpt my uytte pijn; Laets' al verbaest en schaem-rood zijn, Die na mijn ziel, om die te dooden, staen; Wilts' achterwaerts verdrijven, En doets' in schande blijven, Tot haer verdienden loon; Verwoest en straft hem dra, Die seggen derft, Ha! Ha! Tot mijner smaed en hoon.
8 Laet wie u soeckt, verheught zijn en verblijd; Vw's heyls Beminnaers, laet die staegh, Met blyschap seggen alle daegh, De Heer ons God sy groot-gemaeckt altijd.
Ick ben uyt-en-inwendigh Noodruftigh en ellendigh; Maer, Heer, ghy denckt aen my. Ghy, die mijn Helper zijt, Mijn God, die my bevrijd, Toeft niet, maer staet my by.
Cookies on Poetry Cove