Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

Pause. 5 O God ons heyls, komt ons te hulp getreden, Om d'eer uw's naems, die by ons wert beleden; Red ons, en doet versoeningh onser sonden, Op dat uw Naem magh blijven ongeschonden. Hoe? wilt ghy t' onser spijt, De vrage, waer ghy zijt, Van Heydenen gedoogen? Wreeckt liever 't heyligh bloed, Gestort in over-vloed, Voor uwer Knechten oogen.

6 Laet 't Volcks gekerm tot voor uw aenschijn rijsen, Houds' ov'righ, Heer, die sy ter dood verwijsen; Behoedse, na de grootheyd uwer krachten, Die ghy vergaen, in Kerckers siet versmachten. Geeft seven-voudigh we'er, Ons Buyren, die uw eer', Ia, u selfs, in uw Knechten, In 't midden van uw land, O Heere, t' uwer schand, Versmaden en bevechten.

7 Soo sullen wy, de Schapen uwer weyden, Vw dierbaer Volck, uw lof al-om verbreyden, En uwen roem vertellen aen malkander, In eeuwigheyd, van 't een geslacht op 't ander.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.