Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

ל Lamed XII. 45 In 't Hemel-rijck, daer uwen zetel is, Bestaet uw woord, in aller eeuwigheden; En uwe trouw gaet seker en gewis; Van kind op kind wert sy by ons beleden. Sy is en blijft gevest in ons geslacht. Dat d'Aerd' oock staet, daer van zijt ghy de reden.

46 Na uwe wet, die ghy selfs hebt bedacht, Soo staen sy beyd', en sullen staende blijven; Want sy zijn knechts van uw geduchte macht. Indien uw wet, niet waer' in mijn bedrijven, Al mijn vermaeck, ick sou van druck vergaen; Sy kan mijn hert' en swacke sinnen stijven.

47 'k Sal uw bevel gestadigh gade-slaen, In eeuwigheyd sal ick dat niet vergeten; Want ghy doet my daer door alleen bestaen; Ia, levend maeckt ghy my met dat te weten. V hoor' ick toe; behoud my, want uw wet Heb ick gesocht, en my daer in gequeten.

48 De Godloos' heeft een wacht op my geset, Tot mijn verderf; maer ick pass' op uw wegen; 'k Heb, met verstand, aendachtelick gelet, Op al, wat sijn volmaecktheyd heeft gekregen,

En 'k sagh een eynd. Maer wonderbaerlick wijd Is uw gebod, daer heyl in is gelegen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.