ק Koph XIX.
73 Tot u, O Heer, riep ick uyt ganscher hert;
Verhoort my, soo sal ick uw wet beleven.
V riep ick aen; verlost my van mijn smert,
Soo sal ick my vrywilligh over-geven
Tot uw gebod, geheel mijn leven door;
Daer toe mijn ziel en sinnen zijn gedreven.
74 De schemeringh des morgens quam ick voor,
Ick heb geschreyt, als ick u de'e mijn klachten.
'k Hoopt' op uw woord, daer ick mijn rust om stoor.
Mijn oogh ontwaeckt my meermaels alle nachten,
Eer dat het licht den dicken duyster scheyd,
Ten eynd' ick, Heer, uw reden magh betrachten.
75 Verhoort my na uw goedertierentheyd;
Wilt, na uw recht, my eenmael levend maken.
Siet, die, wiens slim en goddeloos beleyd,
Maer laster soeckt, zijn 't, die my nu genaken.
Sy wijcken verr' van 't geen uw wet gebied,
En trachten maer, dat ick van kant mach raken.
76 Maer ghy zijt my na-by in mijn verdriet.
Vw gansch gebod is vol waerachtigheden.
Ick weet van ouds al 't geen wat ghy ons hiet,
En dat uw wet noyt werden sal vertreden.
In eeuwigheyd hebt ghy se vast-geset;
Gelijck ick nu al meer-mael heb geleden.