Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

Pause. 6 De Heere-God weet ons gedachten; Dats' ydel zijn, en te verachten. Wel-gelucksaligh is de Man, Die van u wert getuchtight, Heer! Dien ghy leert uyt uw Wet en Leer', Tot dat hys' onder-houden kan!

7 Om hem van 't quaed' eens rust te geven, Tot dat de kuyl, daer Boos' het leven In eyndigen, gegraven zy. Want God sal nimmermeer de Sijn' In nood begeven noch in pijn. Hy hoed sijn Volck en maeckt het vry.

8 Sijn Erfdeel sal hy niet verlaten, Die Boose straft, om dats' het haten. Want tot het recht keert 't oordeel we'er; En 't sal gevolght zijn opter Aerd, Daer 't loflick is en volgens waerd, By die oprecht zijn voor den Heer.

9 Wie salder doch voor my staen, tegen Die onrecht doen, en boosheyd plegen? Soo God my niet en had verschoont, Geen hulp geweest waer' in de nood, Mijn leven had gesien sijn dood; Mijn ziel, by-na in rust gewoont.

10 Seyd' ick, O Heer, mijn voeten glijden; Soo steunde my uw mede-lijden; Soo goed waert ghy. Wanneer als ick 't Te quaed had, en my mijn gedacht Veel swarigheyds te vooren braght, Heeft my uw troost de ziel verquickt.

11 Soud' oyt de Stoel der Schaed'lickheden, In uw geselschap zijn geleden? Muyt-makers, nevens u bestaen? Sy rotten samen tegens my; Onschuldigh bloed verdoemen sy. Maer neen, 't en salder soo niet gaen.

12 God is mijn hoogh vertreck gebleven, De Rotz mijns toevluchts, al mijn leven. Hun ongerechtigheyd sal hy, Eer lang, op haer, doen keeren we'er; Verdelgen sals' ons God, de Heer, Verdelgen; en ons blyven by.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.