II. Pause.
10 Dat sal werden op-geschreven,
Voor die namaels sullen leven;
Op het schrift sal 't zijn gebracht,
Voor het volgende geslacht;
Dat de Heer sich heeft verkoren,
En, wanneer 't sal zijn geboren,
Hem sal om sijn daden prijsen,
En behoorlick' eer bewijsen.
11 Om dat hy sijn heyligh' oogen,
t'Onswaert eyndelick bewoogen,
Sal doen hebben sien om-laegh,
En verdreven dese plaegh;
Met op Aerden ons t'aenschouwen,
Die alleen op hem betrouwen,
Op hem, die eer-langh sal hooren
't Suchten sijner Vyt-verkooren.
12 Op dat God vertelt magh wesen,
En in Zion hoogh gepresen;
In 't Ierusalemsche Hoff
Zy gesongen sijnen loff;
Als de Volck'ren aller Rijcken
Van d'Af-goden sullen wijcken,
Stellen haren dienst besijden,
En te saem een God belijden.