V. Pause.
21 En, tot een decksel sijner Volcken,
Breyd' hy, rond-om hun heyr, sijn wolcken;
En 's nachts een vyer-pilaer, om licht
Te geven voor hun aengesicht.
Sy baden, en hy sond, met spoed,
Veel quackelen, in over-vloed.
22 Met Hemels-brood zijn sy verzadight,
En met Fonteynen begenadight,
Die hy uyt harde rotzen sloegh.
En langhs de de dorre plaetsen joegh.
Want hy dacht aen sijn heyligh woord,
Wel-eer by Abraham gehoort.
23 Soo voerd' hy uyt den dienstbaerheyde
Sijn Volck'ren, die hy selfs geleyde,
Met vrolickheyd aen alle kant';
En schonck aen haer het Heyden-land.
Sulcks, dat hen-luyder erfenis
Den arbeyd van de Volck'ren is.
24 Op dat sy sijn geboden souden
Gehoorsaem zijn en onder-houden;
Bewaren mochten sijne wet,
En wat hy voorts heeft in-geset.
Hem zy all' eer' en lof geseyt,
In aller eeuwen eeuwigheyd.