Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

V. Pause. 21 En, tot een decksel sijner Volcken, Breyd' hy, rond-om hun heyr, sijn wolcken; En 's nachts een vyer-pilaer, om licht Te geven voor hun aengesicht. Sy baden, en hy sond, met spoed, Veel quackelen, in over-vloed.

22 Met Hemels-brood zijn sy verzadight, En met Fonteynen begenadight, Die hy uyt harde rotzen sloegh. En langhs de de dorre plaetsen joegh. Want hy dacht aen sijn heyligh woord, Wel-eer by Abraham gehoort.

23 Soo voerd' hy uyt den dienstbaerheyde Sijn Volck'ren, die hy selfs geleyde, Met vrolickheyd aen alle kant'; En schonck aen haer het Heyden-land. Sulcks, dat hen-luyder erfenis Den arbeyd van de Volck'ren is.

24 Op dat sy sijn geboden souden Gehoorsaem zijn en onder-houden; Bewaren mochten sijne wet, En wat hy voorts heeft in-geset. Hem zy all' eer' en lof geseyt, In aller eeuwen eeuwigheyd.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.