Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

II. Pause. 10 Hoe? werdens' in een oogenblick Verwoest, en uyt-geroeyt van schrick? Hoe? nemen sy soo haest haer eynden, Die eeuwigh staen, gelijck sy meynden? Ia, als een droom, wanneerm' ontwaeckt; O Heer, soo dra, als 't u verveelt, En ghy u roert, soo sal het beeld Haer's herten, zijn tot niet gemaeckt.

11 Als 't hert my op-geswollen stond, Om dat ick dit verdrietigh vond, En in mijn nieren wierd geprickelt, Soo wierd' ick dieper in-gewickelt; Doe was ick onvernuftigh, Heer, ʼk Wist niet met al; ʼk was een groot beest; By u stond ick berooft van geest. ʼk Had geen verstand noch oordeel meer.

12 ʼk Sal dan staegh by u zijn, om dat Ghy hebt mijn rechter-hand gevat; Sulcks, dat ick niet ben af-geweken, Noch in mijn strijd geheel besweken. Ghy sult my leyden door uw raed; Dien-volgens sal my uw beleyd Op-nemen in uw Heerlickheyd, Die voor den Vroomen open-staet.

13 Wien heb ick in het Hemelrijck, Beneffens u, of uws gelijck? Beneffens u, die my bewaerde, En lust my oock niets opter Aerde. Beswijckt mijn vleesch en mijn gemoed, Ghy zijt de rotz-steen van mijn hert; Mijn deel, dat my versekert wert; Die my in eeuwigheyd behoed.

14 Want siet, die verre van u staen, Sult ghy doen gansch verloren gaen; Ghy sultse van uw aenschijn weren, Die ver van u aldus hoereren.

Maer, my aengaend', het is my goed, By u te wesen, dien ick socht; Op dat ick staegh vertellen moght All' uwe wercken, die ghy doet.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.