ה He V.
17 Leertm' uwen wegh, soo houd' ick hem altijd;
Soo sal ick hem ten eynde toe beleven.
Sal ick uw wet voldoen, soo wert en zijt
Mildadigh, Heer, om my de macht te geven.
Gunt my 't verstand, op dat ick vaerdigh stae,
Van ganscher hert, daer toe mach zijn gedreven.
18 Doet, dat ick 't pad van uw gebod begae,
Want ick heb daer een wellust in gekregen.
Neyght mijn gemoed, beweeght het voor en nae,
Tot uw bevel; en maeckt het noyt genegen
Tot gierigheyd, daer op uw roed' en straff',
Die ick ontsie, altoos te volgen plegen.
19 Wend mijn gesicht van ydelheden af,
En doet my, door uw wegen, weder leven.
Vest aen uw knecht, die sich ter deughd begaf,
En tot uw' vrees' is toe-gedaen gebleven,
Vw toe-geseyd; en segent hem voor al,
Die, op uw woord, sich t'uwaerts heeft begeven.
20 Wend-af den smaed, die my, in dit geval,
Te vreesen staet; want goed zijn uwe wetten,
Daer aen ick my van herten houden sal.
Siet, ick begeer' my ongeveynst te setten
Na uw bevel. Maeckt my, rechtvaerdigh Heer,
Eens levendigh, om op uw wil te letten.