Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

ה He V. 17 Leertm' uwen wegh, soo houd' ick hem altijd; Soo sal ick hem ten eynde toe beleven. Sal ick uw wet voldoen, soo wert en zijt Mildadigh, Heer, om my de macht te geven. Gunt my 't verstand, op dat ick vaerdigh stae, Van ganscher hert, daer toe mach zijn gedreven.

18 Doet, dat ick 't pad van uw gebod begae, Want ick heb daer een wellust in gekregen. Neyght mijn gemoed, beweeght het voor en nae, Tot uw bevel; en maeckt het noyt genegen Tot gierigheyd, daer op uw roed' en straff', Die ick ontsie, altoos te volgen plegen.

19 Wend mijn gesicht van ydelheden af, En doet my, door uw wegen, weder leven. Vest aen uw knecht, die sich ter deughd begaf, En tot uw' vrees' is toe-gedaen gebleven, Vw toe-geseyd; en segent hem voor al, Die, op uw woord, sich t'uwaerts heeft begeven.

20 Wend-af den smaed, die my, in dit geval, Te vreesen staet; want goed zijn uwe wetten, Daer aen ick my van herten houden sal. Siet, ick begeer' my ongeveynst te setten Na uw bevel. Maeckt my, rechtvaerdigh Heer, Eens levendigh, om op uw wil te letten.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.