Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

ת Thau XXII. 85 Laet mijn geschrey, mijn droeve jammer-tael, Mijn klaegh-gebed, uw aengesicht genaken. Geeft my verstand, op dat ick niet en dwael'; Laet mijn gevley, laet u mijn smeecken raken. Het kom' u voor; ontwert my, da ick gae. Wilt, na uw woord, mijn smert ten eynde maken.

86 Mijn lippen, Heer, die sullen alsoo-drae, Als ghy uw wet my hebben sult doen leeren, Vw lof, daer ick alre'e nu vol van stae, Gaen storten uyt, veel-voudigh u vereeren. Mijn tongh sal van uw gansch-gerechte wet Gaen houden spraeck, die zielen doet bekeeren.

87 Bied my de hand, die my steets hebt geredt; Dewijl ick uw bevelen heb verkooren. O Heer, mijn lust is op uw heyl geset; 'k Verlanger na, gelijck ghy wel kunt hooren. Vw wet is mijn vermaeck, daer ick op let, Die ick met ernst te houden heb gesworen.

88 Mijn ziel, die leev', op dats' u loven magh.

Vw recht, doe hulp, en make my gequeten. 'k Dwaeld' als een Schaep, dat sich verlooren sagh; Soeckt uwen knecht, die hebt sijn wegh geweten. Soeckt na my om; gelijck een Herder plagh; Want uw gebod en het ick niet vergeten.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.