II. Pause. 13 Dewijl uw goedertierentheden Seer goet zijn, soo verlost my heden. Want nood en droefheyd doen my breken; Mijn hert is my in 't lijf door-steken; 'k Gae he'en, gelijck een schaduw doet, Als sy haer neyght en scheyden moet.
14 'k Werd als een Sprinck-haen om-gedreven, Geen plaets noch rust wert my gegeven. Mijn knyën struyck'len my van vasten. Siet, ick beswijck van over-lasten; Ick smelt' en ben gemagert seer, Mijn vleesch en heeft geen vet nu meer.
15 Noch lijd' ick smaed in mijn ellende; Sy schudden 't hooft waer ick my wende; O Heer, mijn God, wilt my doch helpen, Eer ghy my 't quaed siet over-stelpen; Verlost my door uw wijs beleyd, Na uwe goedertierentheyd.
16 Op dat sy, die u soo vergeten, Des niet-te-min, eens mogen weten, Dat dit uw hand is; dat ghy, Heere, My doet alleen bestaen met eere; Laet sy dan vloecken over my; Maer keert het af, en segent ghy.
17 Laets' op-staen tegens my met schande, En maeckt my blijd' in mijnen lande; Laet alle, die my tegen-trecken, Hun eygen schaemt' en schande decken; Doet alle, die my tegen-gaen, Een mantel van beschaemtheyd aen.
18 Ick sal den Heer, uyt 's herten gronde, Seer hoogh beroemen metten monde; In 't midden van seer veel', hem prijsen; Want hy sal liefd' en hulp bewijsen, En staen ter rechter-hand, in nood, Van die, wiens ziel men wijst ter dood.
Cookies on Poetry Cove