Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

II. Pause. 13 Dewijl uw goedertierentheden Seer goet zijn, soo verlost my heden. Want nood en droefheyd doen my breken; Mijn hert is my in 't lijf door-steken; 'k Gae he'en, gelijck een schaduw doet, Als sy haer neyght en scheyden moet.

14 'k Werd als een Sprinck-haen om-gedreven, Geen plaets noch rust wert my gegeven. Mijn knyën struyck'len my van vasten. Siet, ick beswijck van over-lasten; Ick smelt' en ben gemagert seer, Mijn vleesch en heeft geen vet nu meer.

15 Noch lijd' ick smaed in mijn ellende; Sy schudden 't hooft waer ick my wende; O Heer, mijn God, wilt my doch helpen, Eer ghy my 't quaed siet over-stelpen; Verlost my door uw wijs beleyd, Na uwe goedertierentheyd.

16 Op dat sy, die u soo vergeten, Des niet-te-min, eens mogen weten, Dat dit uw hand is; dat ghy, Heere, My doet alleen bestaen met eere; Laet sy dan vloecken over my; Maer keert het af, en segent ghy.

17 Laets' op-staen tegens my met schande, En maeckt my blijd' in mijnen lande; Laet alle, die my tegen-trecken, Hun eygen schaemt' en schande decken; Doet alle, die my tegen-gaen, Een mantel van beschaemtheyd aen.

18 Ick sal den Heer, uyt 's herten gronde, Seer hoogh beroemen metten monde; In 't midden van seer veel', hem prijsen; Want hy sal liefd' en hulp bewijsen, En staen ter rechter-hand, in nood, Van die, wiens ziel men wijst ter dood.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.