Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

IV. Pause. 16 Aen Baäl-Peor hebbens' haer Oock meest gekoppelt al-te-gaer; Sy aten dooden-offerhanden; Verweckten God tot gramschap me'e, Met dit te doen tot sijner schanden; Soo dat sijn plaegh een in-breuck de'e.

17 Doe heeftse Pinehas beticht, En oeffend' onder haer 't gericht, Sulcks, dat de straf werd' op-gehouden. En 't is hem tot gerechtigheyd Geduyd van God en die 't aen-schouden. Voor eeuwigh ist hem lof geseyt.

18 Sy maeckten God oock toornigh aen Den twist-stroom, daer 't niet is vergaen,

Met Mos', om harent-wil, ten besten. Want sy verbitterden sijn geest; Soo dat hy, onbedacht ten lesten, Te seer uyt-spreeckend' is geweest.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.