Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

IV. Pause. 14 Vw God gebood uw sterckt' en kracht; Maer laet het aen ons zijn volbraght, Dat ghy hebt voor-genomen. Hier, in uw Stad, voor u altaer, Daer sullen Koningen, met haer Geschencken, tot u komen, Om uwes Tempels wil, O Heer, Die hier sal wesen t'uwer eer'; Maer scheld de wilde dieren; Verdoet die van Egypten-land, Brenght haer Vergaderingh' in schand; Straft Kalveren en Stieren.

15 Scheld hem, die sich, als ne'er-gevelt, Met stucken silvers onder-stelt, En veynst voor ons te knielen; God heeft de Volck'ren wech-gejaeght, Wien d'oorlogh en de krijgh behaeght, Die ons socht te vernielen. ʼk Sie menigh Princelick Gesant, Noch komen uyt Egypten-land, Ick sie den Moor sijn handen, Tot God, in haeste, strecken uyt; Aerds-Koning-rijcken, maeckt geluyt, Singht God in al uw landen,

16 Die in der Heem'len Hemel woont; Daer hy van ouds in rijd gekroont. Siet, sijne donder-slagen, Sijn stem geeft hy; een stem van kracht; Geeft Gode d'eere van sijn maght, Soo ghy hem wilt behagen.

O Israël, sijn Hoogheyd is, Meer over u, sijn erfenis, Als over ander' Volcken; Zijn sterckte, daer ghy door bestaet, En uwen Vyand me'e verslaet, Gaet boven al de wolcken.

17 O God, uyt uwen Heylighdom, Zijt ghy verschrickelick al-om, Ghy geeft den Volcke krachten, Ghy sterckts', O Heer, die, lovens waerd, Gelooft moet blijven opter Aerd, En Israëls geslachten.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.