Pause. 7 Verhoort my haest, O Heer der Heeren, Mijn ziel beswijckt; wilt weder-keeren; Verberght u niet, maer siet my aen; Mijn anghst soud' andersints vermeeren; 'k Souw zijn, als die ten grave gaen.
8 Doet my, in plaets van u te stooren, Des morgens vroegh, uw goedheyd hooren; Want ick betrouw op u, O Heer. Leyd my, dat ick niet gae verlooren, Daer ick mijn ziel recht t'uwaerts keer'.
9 Red my, O Heer, van mijn Vyanden, Keerts'-af, en weder-houd mijn schanden,
Die by u schuyl', en u klev'-aen, Die my verlost, en stuyt de handen Van die my trachten te verslaen.
10 Leert my dat ick uw wel-behagen Magh doen, mijn God; die al mijn klagen, Mijn kermen hoort; bied my de hand; Dat my uw Geest magh, in mijn dagen, Geleyden in een effen land.
11 Om uwes Naems wil, doet my leven, Die 't nu geheel schijn' op-te-geven, En voert mijn ziel uyt dit haer leed, Die steets rechtvaerdigh zijt gebleven, My hulp wel-eer en bystand deed.
12 Ter oorsaeck van uw mede-lijden, Soo roeyts' al uyt, die my bestrijden. Brenghts' om, en helpt my uytten schrick; Wilt my in d'anghst mijns ziels bevrijden; Want, Heer, uw knecht, uw knecht ben ick.
Cookies on Poetry Cove