II. Pause.
10 Vw heyl en uw gerechtigheden,
Sal ick, den ganschen dagh,
Vertellen, wat ick magh,
Soo menigh-mael by my beleden;
Hoewel ick, de getalen
Niet wetende, sal dwalen.
11 ʼk Sal he'en gaen, en vrymoedigh treden,
In uwe mogentheyd;
Na waerde noyt geseyt;
Sal melden uw gerechtigheden;
ʼk Sal d'uw' alleen beroemen;
Geen nevens d'uwe noemen.
12 Van jonghs-aen hebt ghy my gaen leeren;
En ghy siet wat ick doe,
Vw wond'ren, tot noch toe,
Verkondigh' ick, tot uwer eeren.
Wilt my daerom bewaren,
In d'oudheyd mijner jaren.
13 Tot dat ick uwen arm en daden
Verkondigh' aen 't geslacht,
Dat is en wert verwacht;
En my sal in den lof verzaden
Van uw gerechtigheden,
Die groote dingen deden.