Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

II. Pause. 10 Vw heyl en uw gerechtigheden, Sal ick, den ganschen dagh, Vertellen, wat ick magh, Soo menigh-mael by my beleden; Hoewel ick, de getalen Niet wetende, sal dwalen.

11 ʼk Sal he'en gaen, en vrymoedigh treden, In uwe mogentheyd; Na waerde noyt geseyt; Sal melden uw gerechtigheden; ʼk Sal d'uw' alleen beroemen; Geen nevens d'uwe noemen.

12 Van jonghs-aen hebt ghy my gaen leeren; En ghy siet wat ick doe,

Vw wond'ren, tot noch toe, Verkondigh' ick, tot uwer eeren. Wilt my daerom bewaren, In d'oudheyd mijner jaren.

13 Tot dat ick uwen arm en daden Verkondigh' aen 't geslacht, Dat is en wert verwacht; En my sal in den lof verzaden Van uw gerechtigheden, Die groote dingen deden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.