Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

Pause. 6 Want in haer nood en tegen-spoeden, Sal noch voor haer zijn mijn gebed, Op dat de Heer, die op haer let, Van onder-gangh haer mach behoeden.

7 Haer Richters heb ick vry gelaten, Ter sijde van de steen-rotz af; Daer ick haer aen-te-hooren gaf Mijn woorden, die haer konden baten.

8 Ons beend'ren zijn verstroyt op Aerde, Tot aen den mond des grafs gesmackt, Als yet, dat yemand klooft en hackt, En wech-werpt, als van geender waerde.

9 Doch op u zijn gestelt mijn oogen, Op u betrouw ick my, O Heer; Ontbloot mijn ziel niet, maer veel eer, Red my altans, door uw me'e-doogen.

10 Bewaert my voor 't geweld der stricken, Die my, met ongerechtigheyd, Van quade menschen zijn geleyt, Die my omringen en verschricken.

11 Geeft, dat de Boos', elck in sijn netten, Vervallen magh, die om my staen; Tot ick voor-by sal zijn gegaen, Op wien uw gunst en hulp sal letten.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.