Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

Pause. 5 Al het Heydens Volck, voor desen Oock door u gestelt in wesen, Sal gaen komen, buygen ne'er, Geven aen uw Naem sijn eer'. Want ghy doet de wonder-wercken, Die uw grootheyd doen bermercken; Ghy zijt Heer en God alleen; Buyten u en kentm' er geen.

6 Leert my uw geboden plegen, Dat ick wandel' in uw wegen. Eenight tot uw vrees mijn hert, Dat het u geheylight werd. Soo sal ick, uyt al mijn krachten, Heer, mijn God, uw lof betrachten; Eeren uwen Naem altijd, Die my hand-haeft en bevrijd.

7 Want uw goedertierentheden, Over my, zijn hoogh getreden. Vyt het onderst', als ick viel, Vyt het graf, ruckt ghy mijn ziel. De hoovaerdige Tyrannen,

Staen op, om my t' over-mannen; Hun Vergad'ringh spreeckt seer hoogh; Doch, s' en heeft u niet voor oogh.

8 Maer ghy, Heer, zijt een genadigh, Een bermhertigh God gestadigh; Groot van goedheyd en gedult; Langhsaem, als ghy toornen sult. Wend u t' mywaerts, slaet my gade, Sterckt uw knecht, door uw genade, En verlost uw dienstmaegds Zoon, Die sich buyght voor uwen throon.

9 Doet ten goed' aen my een teecken, Doet mijn Haters schaemt' uyt-breecken, Als ghy my geholpen, Heer, En getroost sult hebben we'er.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.