I. Pause. 9 Vw gunst-bewijs, ons teeck'nen sien wy niet; Sy houden op. Wy missen ons Propheten; Daer is niet een, die seggen kan of weten, Hoe langh ghy sult doen duyren dit verdriet.
10 Hoe langh sal doch uw We'erparty, om strijd, V smaed aen doen? verachtelick u melden? In eeuwigheyd u lasteren en schelden? Aen uwen Naem steets doen soo groot verwijt?
11 Treckt ghy uw hand, ja, Heer, uw rechter-hand, Soo van ons af? wilts' uyt den boesem trecken, En over ons uw mogentheden strecken, Maeckt doch een eynd van uw en onse schand.
12 Van ouds af is mijn Koningh evenwel, Een eeuwigh God, die vry-maeckt opter Aerden; Sijn Volck verlost uyt midden van de swaerden; En dat herstelt uyt allerley gequel.
13 Ghy hebt de Zee gespleten door uw maght; Vw sterckte brack de koppen van de Draecken, Dies' hemelwaerts, recht tegens u op-staecken. Ghy hebts' in 't Meyr, in 't water om-gebraght.
14 Leviathan hieuwt ghy de koppen af; Hy is verplet, en voorts tot spijs gegeven, Aen Volck'ren, die in dorre plaetsen leven. Ghy kloofd' een rotz, die water-beken gaf.
15 Den stercken stroom hebt ghy te rugh geleyt, En uyt-gedrooght, daer 't menschen-oogen sagen; Vw eygen zijn de nachten en de dagen. De Son en 't licht hebt ghy oock toe-bereyd.
16 Ghy hebt aen d'Aerd' haer palen vast-gestelt; Den Somer-tijd hebt ghy met winter-stonden Ordentelick geschickt en uyt-gevonden. De hitt' en koud' hebt ghy in uw geweld.
Cookies on Poetry Cove