Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

Pause. 5 Samuël was een, Van, die met gebe'en, Riepen tot den Heer; Dien sy smeeckten seer. Sulcks, dat hy sijn oor Keerde tot gehoor, En ontfingh de beden, Diese tot hem deden.

6 God, die sprack tot haer Vyt een wolck-pijlaer. Zy, van hem verhoort, Leefden na sijn woord, En getuygenis; Dat het wet-boeck is, Van den Heer gegeven, Om daer na te leven.

7 Heer', ons God, ghy waert Over haer, op Aerd', Een vergevend God; Hoewels' uw gebod Hadden weder-staen, En ghy wraeck gedaen, Over hare daden, Als sy 't over-traden.

8 Nu, verheft den Heer, Buyght u voor hem ne'er; Buyght, daer hy 't u verght, Voor het hoogh geberght' Sijner Heyligheyd;

Later zijn geseyt, Onsen God ter eere; Heyligh is de Heere.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.