Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

IV. Pause. 17 Hy is berooft van al, die langhs sijn wegen gaen; Hy heeft den spot en smaed der Buyren uyt-gestaen, Sijn Haters rechter-hand is door u hoogh geresen; Al die hem Vyand zijn, hebt ghy verblijd doen wesen; Ghy hebt hem om-gekeert de scherpte sijner swaerde, Doen vallen in den strijd, dien ghy wel-eer bewaerde.

18 Ghy neemt sijn schoonheyd wech, die vast en duyrsaem scheen; Ter aerd' hebt ghy sijn throon gestooten en vertre'en. De dagen sijner jeughd hebt ghy verkort doen wesen, Met schaemt' hem over-deckt, die achtbaer was voor desen.

Hoe langh sult ghy, O God, voor hem u noch verbergen? Hoe langh uw grimmigheyd, als brandend vyer, hem tergen.

19 Denckt, van hoedanigh' eeuw, hoe kort ick ben van tijd; O Heer, waerom soud ghy, die onberisp'lick zijt, De menschen te vergeefs hier hebben selfs geschapen? Wie leefter, die niet in den dood en sal ontslapen? Wie, vry van 't grafs geweld? Vw goedheyd van hier voren, Waer is die, by uw trouw, aen David lest besworen.

20 Heught uwer Knechten smaed, daer van ick treurigh klaegh, Die ick in 't hert gevoel, en in mijn boesem draegh; Daer med' uw Vyand schimpt, en uw Gesalfdens stappen Van alle kanten pooght versmaed'lick te betrappen. De Heere zy gelooft, in eeuwigheyd gepresen. Het zy, ja, 't zy alsoo; soo moet het eeuwigh wesen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.