II. Pause. 10 Ons hert is noyt in u besweken, Noch achterwaerts van u geweken, Noyt om-gekeert; en van uw padt, En hebben wy noyt voet gehad. Hoewel ghy ons uw hand ontreckt, En plettert in een plaets der Draken; Met schaduwen des doods bedeckt, Als menschen, die het graf genaken.
11 Soo wy den Naem ons Gods vergeten, Of hadden in den wind gesmeten, Ons handen, van sijn dienstbaerheyd, Tot vreemde Goden uyt-gebreyd; Soud' hy dat onder-soecken niet? Niet vinden-uyt, na eysch van reden, Daer hy alleen weet en door-siet Ons hert en sijn verborgentheden?
12 Maer, dat wy dood geslagen werden, Komt, van dat wy in u volherden. Den ganschen dagh zijn wy geacht, Als Schapen, die men doorgaens slacht. Waeckt-op, en komt haer eens te keer; En wilt ons niet van hulp ontblooten. Waerom soud ghy nu slapen, Heer? Wilt niet in eeuwigheyd verstooten.
13 Waerom soud ghy uw aenschijn bergen, En langer noch ons laten tergen? Waerom vergeten, sonder end, Ons onderdruckingh en ellend? Daer onse ziel, soo seer beswaert, Is nederwaerts in 't stof gebogen, En onsen buyck gekleeft aen d' aerd, Ghy staen, en blijven onbewogen?
14 Staet-op, O Heer, en wilt verschijnen; Komt ons te hulp, eer wy verdwijnen; Verlost ons door uw wijs beleyd, Om uwe goedertierentheyd.
Cookies on Poetry Cove