I. Pause. 10 Hem, die in Egypten-land d'Eerst-geboor'nen hielp van kant. Want sijn goedertierentheyd Duyrt tot in der eeuwigheyd.
11 Hem, die Israëls geslacht t'Midden uyt hen heeft gebraght. Want sijn goedertierentheyd Duyrt tot in der eeuwigheyd.
12 Die daer toe sijn hand gestreckt En sijn arm heeft uyt-gereckt. Want sijn goedertierentheyd Duyrt tot in der eeuwigheyd.
13 Die de Schelf-Zee deeld' in tween, En ons deed haer grond betre'en. Want sijn goedertierentheyd
Duyrt tot in der eeuwigheyd.
14 Die sijn Israël, sijn Volck, Voerde midden door den kolck. Want sijn goedertierentheyd Duyrt tot in der eeuwigheyd.
15 Pharaö met al sijn heyr Deed verdrencken in het Meyr. Want sijn goedertierentheyd Duyrt tot in der eeuwigheyd.
16 Die sijn Volck, nu vry gestelt, Heeft geleyt door 't woeste veld. Want sijn goedertierentheyd Duyrt tot in der eeuwigheyd.
17 Groote Koningen versloegh, En uyt hare throonen joegh. Want sijn goedertierentheyd Duyrt tot in der eeuwigheyd.
18 Die de Machtigh' heeft ontbloot En noch eyndelick gedood. Want sijn goedertierentheyd Duyrt tot in der eeuwigheyd.
Cookies on Poetry Cove