Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

Pause. 4 Beschaemt zy nu, al wie,

Ick beelden dienen sie; Die, tegen sijn geboden, Haer roemen op Af-goden. Ghy Goden, buyght u ne'er, Voor desen God en Heer; Wiens oordeel, na sijn woord, By Zion is gehoort, Dat sich verblijde seer.

5 Ons Maeghden-rey, verheugt, Sprongh-op voor u van vreughd, Om datse, met behagen, Vw recht en oordeel sagen. Want ghy zijt over d'Aerd, De hooghste God verklaert; En boven al gestelt, Die Goden zijn gemelt; Seer hoogh en groot vermaert.

6 Lief-hebbers Gods, het quaed, Sy steets van u gehaet. De ziel der Gunst-genooten Wert by hem niet verstooten. Hy ist, dies' al bewaert; Hy reds' uyt alle schand', Vyt aller Boosen hand, Die voor hem staen vervaert.

7 Het licht is al gesaeyt, En 't sal oock zijn gemaeyt, Voor die rechtvaerdigh leven, En haer tot God begeven. De blijschap staet gewis, Voor die rechtvaerdigh is, Tot vreughd' u dan bereyd, Spreeckt lof, sijn Heyligheyd Tot een gedachtenis.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.