Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

I. Pause. 6 In tegen-deel, soo sal den Sacht-gemoeden Het Aerdrijck sijn ten erve toe-gepast; Daer in hem God voor onrust sal behoeden, Doen vry zijn van der Boosen over-last. Die te vergeefs op sijnen vrede woeden, En knerssen op hun tanden als sy wast.

7 God lacht haer uyt, die haren dagh siet komen. Sy trecken 't swaerd, hun bogen staen gereed, Om d'over-hand te nemen op den Vroomen; Te vellen, die ellend' en noodruft leed; Te slachten, die sijn wegh heeft recht-genomen, En nimmermeer geen stoute sonden deed.

8 Maer, eygen swaerd sal haer het hert af-steken, 't Sal haer in 't lijf en door de ribben slaen; Hun bogen sal de Heer in stucken breken. Het weynigh goed, van die rechtvaerdigh gaen, Is beter, als het geen, met slimme streken, De Godloos heeft in volheyd op-gedaen.

9 Want God verbreeckt der Boosen arm en krachten; Maer onder-steunt al wie rechtvaerdigh blijft; De Heere kent sijn dagelicks betrachten; God siet dat hy oprechten handel drijft; Terwijl hy sich van onrecht weet te wachten, Soo doet hy dat sijn erfenis beklijft.

10 In quaden tijd sal hem geen schaemte deeren; In hongers-nood wert hy met spijs verzaed. Maer 't godloos Volck sal smelten en verteeren, Als 't Lammer-vet, dat in het vyer vergaet. Soo ist met al, die God niet willen eeren. Als roock verdwijnt der Goddeloosen staet.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.