I. Pause.
6 'k Heb uw schouder 't pack,
Seyt de Heer, ontdragen;
'k Heb u, tot gemack,
Vyt de kleyigh' aerd',
Als ghy Slaven waert,
Van den pot ontslagen.
7 In den nood riept ghy,
En ick de'e veel wond'ren;
'k Hielp, en maeckt' u vry;
Ick gingh u voor-he'en,
'k Antwoord' en verscheen
Vyt de plaets der dond'ren.
8 'k Heb te Meriba,
Aen de water-beken,
Daer ghy dorsten na,
V wel-eer beproeft,
Die my hebt bedroeft,
En geperst te spreken;
9 Hoort, mijn Volck, hoort toe;
'k Segh't u voor uw' ooren;
Hoort, wat ick u doe;
Israël, ghy waert
Maghtigh opter Aerd',
Wouwd ghy na my hooren.
10 Onder u sal geen
Vyt-lands-God meer wesen,
Als, niet langh gele'en;
Buyght u daer niet voor,
Geeft hem geen gehoor;
Maer, past my te vreesen.
11 'k Ben de Heer, uw God;
'k Voerd' u uyt Egypten;
'k Gaf u mijn gebod;
'k Ben 't, die legers de'e
Smooren in de Zee,
Dats' haer niet en ripten.