Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

I. Pause. 6 'k Heb uw schouder 't pack, Seyt de Heer, ontdragen; 'k Heb u, tot gemack, Vyt de kleyigh' aerd', Als ghy Slaven waert, Van den pot ontslagen.

7 In den nood riept ghy, En ick de'e veel wond'ren; 'k Hielp, en maeckt' u vry; Ick gingh u voor-he'en, 'k Antwoord' en verscheen Vyt de plaets der dond'ren.

8 'k Heb te Meriba, Aen de water-beken, Daer ghy dorsten na, V wel-eer beproeft, Die my hebt bedroeft, En geperst te spreken;

9 Hoort, mijn Volck, hoort toe; 'k Segh't u voor uw' ooren; Hoort, wat ick u doe; Israël, ghy waert Maghtigh opter Aerd', Wouwd ghy na my hooren.

10 Onder u sal geen Vyt-lands-God meer wesen, Als, niet langh gele'en; Buyght u daer niet voor, Geeft hem geen gehoor; Maer, past my te vreesen.

11 'k Ben de Heer, uw God;

'k Voerd' u uyt Egypten; 'k Gaf u mijn gebod; 'k Ben 't, die legers de'e Smooren in de Zee, Dats' haer niet en ripten.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.