ט Teth IX.
33 Ghy hebt veel goeds by uwen knecht gedaen,
Na dat ghy 't hem belooft had hier te voren;
Geeft my uw woord rechtsinnigh te verstaen,
En wetenschap, om niet te gaen verloren,
Want ick geloof aen uw gebod en leer',
Die ghy my hebt verkondight en doen hooren.
34 Ick dwaeld', eer ick verdruckt was van mijn Heer;
Maer nu houd' ick uw woorden en uw wetten;
Goed zijt ghy, God; goed-doende zijt ghy seer;
Sulcks, leert my 't geen u in gelieft te setten;
Ia, leert my dat; leert my dat al, en doet
My 't gade-slaen; daer op met aendacht letten.
35 De Grootsche, d'Op-geblaese van gemoed,
Beliegen my; sy gaen my vinnigh tegen;
Doch op uw pad behoud' ick staegh mijn voet.
Het hert' is haer in 't vette smeer gelegen;
Maer ick ben vast op u alleen gestelt,
En in uw wet heb ick vermaeck gekregen.
36 Het is my goed, dat ick soo seer gequelt,
Soo ben verdruckt, en soo veel heb geleden;
Op dat ick leer' al wat uw wet vermelt.
De wet uw's monds, is my, met recht en reden,
Veel beter, als veel duysenden van goud,
Of silver, daer ick niet om heb gebeden.