Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

III. Pause. 17 Hy kan de water-landen Doen werden dorstigh sand, En we'er, de barre stranden Doen wesen vruchtbaer land; En dat, tot soute grond, Rechtvaerdigh over-geven, Door boosheyd en de sond Van die men daer siet leven.

18 Hy stelt de woeste sanden Tot eenen water-tocht; Tot poelen, de waranden, Die 't water noyt besocht. De Hongh'righ' huyst hy daer, Een stad doet hyse stichten, Waer toe sy haer te gaer Eendrachtelick verplichten.

19 Sy bouwen 't land, en planten Den wijngaerd, die sijn vrucht Haer geeft, van alle kanten Sijn inkomst, met genucht. Hy segents', als men siet, Soo datse maghtigh werden; Hun vee vermindert niet, Dat hy haer doet volherden.

20 Korts mind'rens' in getalen, En komen t' onder we'er, Door droefheyd, druck en qualen; Door alderhande zeer.

Hy stort verachtingh' uyt, De Princen doet hy dwalen, Verjaeght en uyt-geluyt, In wege-loose palen.

21 Maer hy brenght den Bedroefden Vyt noodruft en gebreck; En, die sijn hulp behoefden, Wert hy een hoogh vertreck. Hy ist, die haer verbreyd, Dat Vroome doet verblijden; Maer d'ongerechtigheyd Stopt mond, en moet het lijden.

22 Die wijs is, slae dit gade, En lett', aen alle kant', Op 's Heeren-Gods genade, Met aendacht en verstand.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.