Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

II. Pause. 12 Die mijn ziel en leven soecken Te verkloecken, Leggen stricken over-al; Listen zijn 't, om my te krencken, Wat sy dencken; Wat sy spreken, raeckt mijn val.

13 Ick, als doof, heb daer-en-tegen Stil geswegen; Ick en hoor niet hoe men woed. Als een Stomme, dien men 't spreken Siet ontbreken; Die sijn mond niet open doet.

14 Ia, ick ben, als een, die 't hooren Heeft verlooren; Als een doof-geboren man; In wiens mond geen tegen-reden Wort gesmeden; Die sijn woord niet doen en kan.

15 'k Stel mijn hoop' op u, O Heere, Dien ick eere, Die mijn erf zijt en mijn lot. Ghy sult mijn Verhoorder wesen, Als voor desen; Ghy, mijn Heer, mijn eenigh God.

16 Dats' haer, over dit mijn lijden, Niet verblijden; Want, seyd' ick, wanneer mijn voet Wanck'len soude, souw 't haer saken Grooter maken, Tegens my, dien ghy behoed.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.