II. Pause.
12 Die mijn ziel en leven soecken
Te verkloecken,
Leggen stricken over-al;
Listen zijn 't, om my te krencken,
Wat sy dencken;
Wat sy spreken, raeckt mijn val.
13 Ick, als doof, heb daer-en-tegen
Stil geswegen;
Ick en hoor niet hoe men woed.
Als een Stomme, dien men 't spreken
Siet ontbreken;
Die sijn mond niet open doet.
14 Ia, ick ben, als een, die 't hooren
Heeft verlooren;
Als een doof-geboren man;
In wiens mond geen tegen-reden
Wort gesmeden;
Die sijn woord niet doen en kan.
15 'k Stel mijn hoop' op u, O Heere,
Dien ick eere,
Die mijn erf zijt en mijn lot.
Ghy sult mijn Verhoorder wesen,
Als voor desen;
Ghy, mijn Heer, mijn eenigh God.
16 Dats' haer, over dit mijn lijden,
Niet verblijden;
Want, seyd' ick, wanneer mijn voet
Wanck'len soude, souw 't haer saken
Grooter maken,
Tegens my, dien ghy behoed.