Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

II. Pause. 12 Eyscht, wat ghy begeert; Doet uw mond wijd-open; 't Sal u zijn vereert; Wat ghy bidden sult, Sal u zijn vervult, Wilt ghy op my hopen.

13 Maer, mijn Volck en heeft My niet willen hooren, Daer het al voor beeft; 't Heeft, dat veel verschilt, Mijner niet gewilt. 't Pooght te gaen verlooren.

14 Dies soo ist oock in Sijnen wegh gebleven; Na sijn eygen sin, Soo, als 't sijn gemoed Dacht te wesen goed, Heb ick 't laten leven.

15 Och! had Israël Na my willen hooren! En na mijn bevel, Dat hem wees te gaen Op mijn rechte baen, Eens geneyght sijn ooren!

16 'k Soud', in korten tijd, Dempen en vernielen Al wie hem bestrijd; 'k Souw mijn hand gewend Hebben op de Bend', Die hem tracht t'ontzielen.

17 Die mijn Haters zijn,

Hadden hen begeven, In geveynsden schijn, Onder sijn geweld. 'k Had hem vast-gestelt 't Eeuwigh-duyrend leven.

18 'k Had hem met het vet Van de tarw verzadight; En, in rust geset, Metten honigh-raed, Die de rotz-steen laed, Staegh-aen begenadight.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.