II. Pause.
12 Eyscht, wat ghy begeert;
Doet uw mond wijd-open;
't Sal u zijn vereert;
Wat ghy bidden sult,
Sal u zijn vervult,
Wilt ghy op my hopen.
13 Maer, mijn Volck en heeft
My niet willen hooren,
Daer het al voor beeft;
't Heeft, dat veel verschilt,
Mijner niet gewilt.
't Pooght te gaen verlooren.
14 Dies soo ist oock in
Sijnen wegh gebleven;
Na sijn eygen sin,
Soo, als 't sijn gemoed
Dacht te wesen goed,
Heb ick 't laten leven.
15 Och! had Israël
Na my willen hooren!
En na mijn bevel,
Dat hem wees te gaen
Op mijn rechte baen,
Eens geneyght sijn ooren!
16 'k Soud', in korten tijd,
Dempen en vernielen
Al wie hem bestrijd;
'k Souw mijn hand gewend
Hebben op de Bend',
Die hem tracht t'ontzielen.
17 Die mijn Haters zijn,
Hadden hen begeven,
In geveynsden schijn,
Onder sijn geweld.
'k Had hem vast-gestelt
't Eeuwigh-duyrend leven.
18 'k Had hem met het vet
Van de tarw verzadight;
En, in rust geset,
Metten honigh-raed,
Die de rotz-steen laed,
Staegh-aen begenadight.