Pause.
5 Dat ghy hem doet, een weynigh minder wesen,
Als d'Eng'len zijn, dat ghy hem uyt-gelesen,
En boven al uw' Scheps'len hebt verschoont!
Ia, hem met eer' en heerlickheyd bekroont.
6 Ghy doet hem zijn een Heerscher aller Landen,
En over al de wercken uwer handen.
Maeckt ghy hem Heer; en die stelt hy de wet.
Ghy hebt het al sijn voeten onder-set.
7 Ghy hebt het Vee, de beesten op den velde,
Gestelt in sijn regeringh' en gewelde;
Den Os en 't Schaep, het wild en tam gediert',
Wert, na uw' wil, door 's Menschen-kind bestiert.
8 De Vog'len, die in lucht en wolcken sweven,
De Visschen, die in Zee en water leven,
En 't gansche Rond des Werelds wand'len om,
Hebt ghy aen hem gegunt in eygendom.
9 O Heer, ons Heer, hoe hoogh, hoe groot van waerde,
Hoe heerlick is, uw naem al-om op Aerde?
Hoe hoogh zijt ghy, die uwe Majesteyt
Hebt boven al de Hemelen verbreyd!