Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

III. Pause. 12 Ghy Iacobs zaed, beroemt en looft den Heer, Verheerlickt hem, die uw Verlosser hiet. O Israël, maeckt dat ghy hem ontsiet; Pooght hem te vreesen; Want in mijn nood heeft hy my niet mis-presen. In mijn verdriet steld' hy my buyten sorgen. Sijn aen-gesicht heeft hy my niet verborgen. Oock hoord' hy my.

13 Mijn lof sal zijn, voor u, dien ick bely, Van uw Gemeent'; in tegenwoordigheyd Van 't Volck, dat u ontsiet in uw beleyd. De Sacht-gemoede, Die haer geheel begeven in uw hoede, Sult ghy met lust doen eten en verzaden; Hun hert sal zijn en blijven onbeladen, In eeuwigheyd.

14 't Sal over-al op Aerden sijn verbreyd; Al 't Heydens-Volck sal hier van zijn bericht; 't Sal bidden voor uw heyligh aen-gesicht; V sal het eeren. Want 't Koninghrijck is d' erfenis des Heeren. Hem hoort het toe. Sijn wettigh' opper-maghten Gaen over al de Heydensche geslachten. Hy heerst op haer.

15 De Vett' en Rijck' op Aerden al-te-gaer, En die in 't stof des Aerdrijcks dalen ne'er, Die sullen haer verned'ren voor den Heer; Al sullens' eten. Hun zaed, dat sich sal hebben wel gequeten, In sijnen dienst, sal werden aen-geschreven, Om tot een Volck onsterfelick te leven; 't Is al bereyd.

16 Sy komen aen, om sijn gerechtigheyd In 't menschen-zaed t' oorkonden over-al; Om dat hy 't heeft gedaen wat hier van sal Oyt zijn bedreven.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.