Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

I. Pause. 5 'k Sal zijn verheught, en my verblijden, In uwe gunst, en 't goed, Dat ghy my heden doet, Die my aenschouwt, in 't bitter lijden; Mijn ziel, in swarigheden, Gekent hebt hier beneden.

6 Om dat ghy my niet over-wonnen En levert, tot mijn schand', In mijn Vervolgers hand. Mijn voeten, die we'er vast-staen konnen, Doet ghy in ruymte treden, En maken wijde schreden.

7 Versterckt mijn bangh en anghstigh herte; Zijt gunstigh, Heer, en siet, Hoe dat my, van verdriet, Van onverdragelicke smerte, Mijn oogh is door-gebeten, Mijn ziel en buyck gesleten.

8 Mijn droeffenis verteert mijn leven; Mijn tijd is, in 't gesucht Mijns herten, he'en gevlucht, Om 't onrecht, dat ick heb bedreven, Vervallen al mijn krachten; Mijn beend'ren, die versmachten.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.