I. Pause.
5 'k Sal zijn verheught, en my verblijden,
In uwe gunst, en 't goed,
Dat ghy my heden doet,
Die my aenschouwt, in 't bitter lijden;
Mijn ziel, in swarigheden,
Gekent hebt hier beneden.
6 Om dat ghy my niet over-wonnen
En levert, tot mijn schand',
In mijn Vervolgers hand.
Mijn voeten, die we'er vast-staen konnen,
Doet ghy in ruymte treden,
En maken wijde schreden.
7 Versterckt mijn bangh en anghstigh herte;
Zijt gunstigh, Heer, en siet,
Hoe dat my, van verdriet,
Van onverdragelicke smerte,
Mijn oogh is door-gebeten,
Mijn ziel en buyck gesleten.
8 Mijn droeffenis verteert mijn leven;
Mijn tijd is, in 't gesucht
Mijns herten, he'en gevlucht,
Om 't onrecht, dat ick heb bedreven,
Vervallen al mijn krachten;
Mijn beend'ren, die versmachten.