Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

I. Pause. 4 Mijn broed'ren werd' ick vreemd en ongëeert; ʼk Ben onbekent aen mijnes Moeders kind'ren. Want, Heer, uw Huys en liet ick noyt vermind'ren, Daer van de liefd' en yver my verteert. Vw Smaders smaed, die op my neder-viel, Heeft my geraeckt; ick weend' en heb gekreten, Maer het is selfs, in 't vasten mijner ziel, Tot allerley versmaedheyd my verweten.

5 ʼk Heb my een sack tot kleedingh aen-gedaen; Maer ick werd haer een spreeck-woord om te snappen, Die in de poort des Raed-huys van my klappen, My lacchen uyt, daer soo veel menschen staen. ʼk Ben Dronckaerds spot, en Spotters snaren-spel. Maer ick bidd' u, O God, die hebt uw tijden Van liefd' en gunst, hoort my in mijn gequel; En laet uw trouw en goedheyd my bevrijden.

6 Ruckm' uyt den slijck', en laet my plots'lick niet Te gronde gaen, maer troost en hulp gewerden, In desen nood, niet langer meer te herden.

Red my van al mijn Haters, die ghy siet, Dat om my staen; en laet geen water-vloed, Geen diepte, my verslinden noch verdelgen. Geen put, die mond en kelen open-doet, My slicken op, noch onversiens verswelgen.

7 Verhoort my, door uw goedertierentheyd; En wilt met my niet in 't gerichte treden; Maer siet my aen, na uw bermhertigheden, Die goed' en groot uw Volck zijn toe-geseyt. Verberght my niet uw gunstigh aengesicht, Die ben uw knecht; want, seker, my is bange; ʼk Ben seer benauwt; maeckt, dat ick zy verlicht; Verhoort my haest, die na uw heyl verlange.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.