II. Pause.
19 Sihon, Amoritisch Held,
Heeft hy ons teer ne'er gevelt.
Want sijn goedertierentheyd
Duyrt tot in der eeuwigheyd.
20 Og heeft hy oock om-gebracht,
Die te Basan lagh met macht.
Want sijn goedertierentheyd
Duyrt tot in der eeuwigheyd.
21 Hare landen geeft de Heer
Ons ten erve t'sijner eer'.
Want sijn goedertierentheyd
Duyrt tot in der eeuwigheyd.
22 Die geeft hy uyt eygen recht
Aen sijn Israël, sijn knecht.
Want sijn goedertierentheyd
Duyrt tot in der eeuwigheyd.
23 Hem, die aen ons heeft gedacht,
Als wy t'onder zijn gebracht.
Want sijn goedertierentheyd
Duyrt tot in der eeuwigheyd.
24 Die ons heeft van haer ontruckt,
Die ons hebben onder-druckt.
Want sijn goedertierentheyd
Duyrt tot in der eeuwigheyd.
25 Hy ist, die al 't Vleesch, dat leeft
Onder-houd en spijse geeft.
Want sijn goedertierentheyd
Duyrt tot in der eeuwigheyd.
26 Looft dan, looft des Hemels God;
Looft hem, volgens sijn gebod.
Want sijn goedertierentheyd
Duyrt tot in der eeuwigheyd.