III. Pause.
10 Om van den dood haer ziel en leven
Te redden, in den dieren tijd,
En hongers-nood, als wy 't begeven,
En geender handen raed en dijd.
In al ons beleyden,
Sal ons ziel verbeyden,
Wachten op den Heer;
Hy sal, in gevaren,
Ons getrouw bewaren,
Zijn ons schild en speer.
11 Want siet, in hem zijn al ons herten
Verblijd, en tot den sangh bereyd,
Om dat wy staen, in al ons smerten,
Op niemand, als sijn Heyligheyd.
Toont u goedertieren,
Over die u vieren,
Die u eeren, Heer;
Doet uw gunsten open,
Over ons, die hopen,
Op u, meer en meer.