Pause.
5 'k Heb in mijn voorspoed wel geseyt,
'k Sal vast-staen inder eeuwigheyd.
'k En sal niet wank'len immermeer.
Want ghy had, door uw gunst, O Heer,
Mijn bergh geset op vaste gronden;
Die, soo het scheen, niet wijcken konden.
6 Maer, doe ghy berghd' uw aen-gesicht,
En my benaemt uw helder licht,
Wierd' ick verschrickt. Ick riep en socht,
Den Heere smeeckt' ick, wat ick mocht.
Wat winst is in mijn bloed te halen?
In my, als ick sal neder-dalen?
7 O Heer, sal immermeer het stof,
Na waerde, melden uwen lof?
Sal dat uw waerheyd, na mijn dood,
Verkondigen en maken groot?
Hoort my, mijn Heer, zijt my genadigh;
En weest mijn Helper doch gestadigh.
8 Ghy hebt gehoort al mijn geschrey,
Mijn wee verandert in een rey',
Mijn sack ontbonden, en met vreughd
My gansch om-gord; om, heel verheught,
V, Heer, mijn God, in uw Voor-hoven,
In eeuwigheyd, met sangh te loven.