Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

II. Pause. 8 Mijn kracht is, als een pot-scherf, uyt-gedrooght. Mijn tongh, die kleeft aen mijn gehemelt vast. In 't stof des doods sijgh' ick van over-last. Men neemt my 't leven. Want ick ben aen de Honden op-gegeven. Van Boos' omringht, die haer te samen spanden. Sy graven my de voeten door en handen; Dit doense my.

9 Mijn beend'ren soud' ick tellen op een ry. Sy schouwen 't aen, en sien op my met lust. Hun hert stelt sich in mijne smert gerust. Siet daer, sy loten Om mijn gewaed, by wien 't sal zijn genoten. Mijn kleed'ren, my geheel en al ontnomen, Die deylen sy, als tot een buyt bekomen. 'k Ben naeckt en bloot.

10 Maer ghy, mijn God, die my uyt desen nood Gaen helpen sult, weest doch niet verre-wech; Verlost my haest, ghy, dien ick nochmaels segh Te zijn mijn sterckte; Red ghy mijn ziel, die ghy al langh bewerckte; Die een-saem is; en nu by na geschonden Door over-last en wreedheyd deser Honden. Hoort haer gehuyl.

11 Verlost my uyt den wreeden Leeuwen-muyl, En geeft gehoor; daer ghy my hebt gestelt Voor d' Eenhoorns hoorn, die my, met groot geweld, Dreyght ne'er te vellen.

Soo sal ick aen mijn Broeders gaen vertellen Vw waerden Naem; en u, op hooge wijsen, Vyt ganscher kracht, in uw Gemeente prijsen; En dancken seer.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David · Cornelis Boey · Poetry Cove