II. Pause.
9 Laet mijn Gesalfden ongesmeten,
En doet geen quaed aen mijn Propheten,
Seyd' hy, en riep den hongers nood,
En brack den staf van al het brood.
Waer door veel hongers is gele'en.
De Heer sand haer een man voor-he'en.
10 De Broeders, nijdigh op sijn gaven,
Verkochten Ioseph, om te slaven.
Sijn voeten zijn in 't stock gedruckt;
Hy selfs, in d' Isers wech-geruckt;
Ter tijd toe, dat des Heeren woord
Tot hem quam, die hem heeft verhoort.
11 God, dien hy staegh heeft aen-gebeden,
Heeft hem door-lautert met sijn reden.
De Koningh sond, en deed hem gaen,
En uyt sijn hechtenis ontslaen.
De Volcken-Heer ontschuldighd' hem,
En liet hem los-gaen uytte klem.
12 De Koningh heeft hem uyt-gelesen,
Om Heer in sijn Palleys te wesen;
En Heerscher over al sijn goed.
Om, na den lust van sijn gemoed,
De grijse Vorsten van den Staet
Te binden, en te geven raed.