Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

ז Zain VII. 25 Gedenckt des woords, gesproocken aen uw knecht, Daer op ghy my doet hopen in ellende. Dit is mijn troost, als wan-hoop my bevecht; Mijn toe-verlaet, waer ick my keer' en wende. Want uw beloft', aen my soo vast gedaen, Maeckt levendigh, en de'e dat ick u kende.

26 d'Hoovaerdigh' heeft my schamper na-gegaen, En boven maet den spot met my gedreven; Nochtans bleef ick op uwe wetten staen;

'k Sagh 't geen van ouds ghy ons hebt voor-geschreven, Ick over-dacht uw oordeel al den dagh, En heb my troost en lichtenis gegeven.

27 De Godloos, Heer, wiens oordeel ick voorsagh, Heeft my beroert, mijn hert met schrick bevangen, Die grooter is, als dit mijn kleyn gewagh. In vreemd'linghschap heb ick u aen-gehangen, Vw wet gepleeght; al vielse langh en swaer, Noch was uw lof de stof van mijn gesangen.

28 Vw's Naems heughd' ick, en heb des nachts oock daer My aen-gewent; 'k stel na uw wet mijn schreden. 'k Bewaerse trouw; mijn lust stel ick in haer; En dat, O Heer, is my geschiet, uyt reden. Dat ick my bind' aen uw gehoorsaemheyd, En niet en soeck' uw wetten t'over-treden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.