Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

Pause. 4 Al wat een ander eertijds had,

Is 't mijn, in 't vruchtbaer Gilead. Mijn is dat uyt-gelesen veld. Manass' is onder my gestelt. En Ephraïm is van mijn hooft, De sterckte van mijn Rijck gelooft. Om vroom en goddelick te leven, Sal Iuda my sijn wetten geven.

5 'k Sal Moab onder my doen staen, Als een verwonnen Onderdaen; 'k Sal hem verned'ren, dat hy my De wasch-pot mijner voeten zy. 'k Sal even-soo met Edom doen, En goyen op hem mijne schoen. 'k Sal toonen dat sy zijn de mijne. Iuycht over my, ghy Palestijne.

6 Wie sal my in een vaste stad Gaen voeren, die ick noyt besat? Wie brengen en geleyden my, Tot dat ick Heer in Edom zy? Sult ghy 't niet zijn, die ons verstiet, Ons sonder hulp en bystand liet, Niet uyt en tooght met ons heyr-krachten, O Heer van onbegrepe machten?

7 Geeft gy ons hulp, die gansch verflauwt, En uyter-maten zijn benauwt; Staet ghy ons by, met uw beleyd; Want 's menschen heyl, is ydelheyd. Wy sullen kloeck zijn in den Heer, Die ons behoed en houd in eer', Hy sal verhooren ons gebeden, Ons Weerpartijders gansch vertreden

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.