Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

ח Heth VIII. 29 Ghy zijt mijn deel, daerom heb ick geseyt, Dat ick uw wet en woorden sal bewaren. Ick heb, met ernst, uw aengesicht gevleyt, Vyt ganscher hert, bad ick 't in mijn gevaren. Zijt my nu dan genadigh als wel-eer, Dewijl ghy my hebt toe-geseyt te sparen.

30 'k Heb my bedacht, en op mijn wegen seer Gelet, of ick geen sonden had bedreven, En keerde stracks mijn voeten na uw leer', Die my, door u, soo klaer is voor-geschreven. 'k Heb my gehaest, en nimmermeer vertraeght, Na al-te-mael uw leeringen te leven.

31 'k Ben van den hoop der Boosen seer geplaeght, Ia, gansch berooft, en achterwaerts gedreven; 'k Heb even-wel uw wetten na-gejaeght, 'k Heb midder-nachts my drijvens op-geheven, Om u den lof, en de gerechtigheyd Vw's heyl'gen rechts, haer vollen roem te geven.

32 Ick ben een Vriend, een Metgesel geseyt, En ick ben 't oock, van alle die u vreesen, En houden 't geen ghy haer hebt voor-geleyt. Heer, d'Aerd' is vol van uw bermhertigh-wesen; Leert my doch uw insettingh gade-slaen, Vw wille doen, die my is aen-gepresen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.