Pause. 6 Ghy sult verdoen die leugen spreken; Een grouwel hebt ghy van die lieght, Van al die list smeet en bedrieght. Den man des bloeds sult ghy af-breken, En d'onschuld wreken.
7 Maer, door uw' goedertierentheden, Sal ick uw's Heyligheyds Palleys, Vw' Huys besoecken, menigh reys. 'k Sal, buygend' in uw' vrees mijn leden, Tot voor u treden.
8 O Heer, dien ick soeck te verhoogen, Leyd my in uw' gerechtighe'en. Om mijn Verspieders wil alleen; Wilt uwen wegh eens voor mijn oogen, Te richten poogen.
9 Want al die my nu verdeelen En is niet rechts; haer binnenst' is, Niet anders , dan verderffenis; Als graven, zijn hun open keelen; Hun tongen streelen.
10 Verklaertse schuldigh en verwesen, Breeckt haren raedslagh en beleyd; Om dats' in weder-spannigheyd, Stout tegens u zijn op-geresen; En my doen vreesen.
11 Maer laet uw volck, uw Lievelingen, Staegh juychen, van u op-geweckt; Om dat ghys' altijd over-deckt. Laet doch uw's Naems-Beminnaers singen, Van vreugd' op-springen.
12 Want ghy sult al wie oyt van degen Godvruchtigh en rechtvaerdigh was, Bekroonen, als met een rondas; Omringen sult ghy hem met segen, In al sijn wegen.
Cookies on Poetry Cove