Skip to content
1659

Het nieuwe werck der psalmen van den koningh David

Cornelis Boey

I. Pause. 4 O God, als ghy tooght voor uw Volck, Nu staend' in 't vyer, dan in een wolck, En selfs ons ginght voor-henen, In 't woeste veld; soo dreunde d'Aerd';

Den Hemel droop, en was vervaert, Siend' ons van God beschenen. Selfs Sinaï, daer God op wees, Sagh daveren sijn top van vrees, Kreegh suyselende stuypen, Sprongh-op voor 't aenschijn Gods van schrick; O God, ghy hebt seer mildelick Vw regen laten druypen.

5 Ghy sterckt' en maeckt' uw Erf-deel nat, Wanneer het was geworden mat, Vw Hoop, uw lieve Benden, Die woonden daer, door uw beleyd, Genadelick haer voor-bereyd, Na soo veel swaer' ellenden, Die sy nu hadden uyt-gestaen; De Heer, die ons was voor-gegaen, Gaf reden om te spreken; De Schaer, die goede tijdingh braght, Was groot, en sey; God komt de kracht Vw's Vyands te verbreken.

6 Heyr-Koningen, die vloden he'en; Ons Vrouw-volck had den roof gemeen, En deelden met malkander. Waert ghy, in Pharoos heerschappy, Geplaeght met d'oude slaverny, Of elders met een ander, Al laeght ghy weder aen den heert, Voor 't vyer beroockt, van 't roet besmeert, Als vuyle Keucken-slaven, Die ghy waert in Egypten-land, Soo soud' u noch des Heeren hand Niet weygeren sijn gaven;

7 Hy kond' u maecken dat ghy blonckt, Als duyven-vleugels op-gepronckt, Met silver over-streken; Met geluw uyt-gegraven goud; Als d'alder-schoonste van het woud, Soud ghy het hooft op-steken.

Doe God de Koningen versloegh, En voorts uyt Canaän verjoegh, Is al den mist verdwenen; Het werder sneeu-wit, waer men sagh, Als Tsalmon, op den vollen dagh, Met klaerheyd over-schenen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.