III. Pause. 12 Want ghy hebt my mijn wapens aen-gebonden; Ghy sloeghtse dood, die tegen my op-stonden. Ghy zijt het, Heer, die hare necken hielt, Tot ick haer had geslagen en vernielt. Elck riep tot God, maer het was al verloren; Hy sprack niet we'er, dien sy gestaegh verstoren. Doe deed ick haer verstuyven voor den wind, Als stof en asch, die nergens rust' en vind.
13 Ghy helpt my uyt de borgerlicke twisten; Van Heydenen, die van my niet en wisten, Maeckt ghy my 't Hooft, daer ghy haer aen-gewent; My diende 't Volck, dat my noyt heeft gekent. Soo haest hun oor van my heeft hooren melden, Soo wast, dats' haer gehoorsaem onder-stelden. Geveynsdelick zijn Vreemde my geknielt; In Sloten selfs, vreesd' elck te zijn vernielt.
14 De Heer die leeft. Mijn Rotz-steen sy gepresen; De God mijns Heyls sy eer' en danck bewesen. De God, die mijn volkomen wraeck gehenght, En soo veel Volcks my onder-voeten brenght. Die my helpt uyt; ja, my doet hooger wesen, Als die, soo stout, zijn tegens my geresen;
Mijn Vyand dempt, my red, en onder-stelt Den Man van kracht en wonderlick geweld.
15 Dies sal ick u, O Heer der leger-scharen, In 't Heydens Volck, den Hooghsten doen verklaren; En uwen naem psalm-singen, soo 'k begost, Die uw Gesalfd', uw Koningh hebt verlost, En groot gemaeckt. My, en mijn zaed, na desen, In eeuwigheyd, sult goedertieren wesen.
Cookies on Poetry Cove